• Fase 2. Intake

    1. Bereid samen met de klant(en) het plan voor.
    2. Vul persoons- en contactgegevens in.
    3. Inventariseer betrokkenen uit het informeel netwerk.
    4. Inventariseer betrokkenen uit het formeel netwerk.
    5. Vraag de klant(en) of er een voorkeur voor de zorgcoördinator is.
    6. Indien minderjarig(en): geef aan dat jeugdigen(n) in de Verwijsindex risicojongeren worden gesignaleerd.
    7. Voor zover gewenst: vul samen met de klant(en) het conceptplan in.
    8. Geef de klant(en) aan dat het plan tijdens het overleg met betrokkenen wordt vastgesteld.
    9. Geef de klant(en) bij een digitaal plan toegang tot het plan; stel samen met de klant(en) vast welke betrokkenen worden uitgenodigd.
    10. Stel samen met de klant(en) vast wie zeker bij het overleg aanwezig moeten zijn.
    11. Stel met de klant(en) een aantal data + tijden vast.
    12. Stel een datum en tijd met de klant(en) en degenen die aanwezig moeten zijn.
    13. Ga naar fase 3a.

    Zijn er signalen van (acute) onveiligheid of onvoldoende basiszorg? Ga naar Meldcode huiselijk geweld bij onvoldoende basiszorg, onveiligheid of geweld  en integreer deze acties in 1Gezin1Plan.

  • Toelichting

    • Zorg voor een actueel overzicht van contactgegevens van betrokkenen.
    • Bespreek altijd de rol van de life-time betrokkenen. Dat zijn de huisarts, langdurige behandelaars of begeleiders, de jeugdgezondheidszorg en het onderwijs vanuit het formele netwerk. Vanuit het informele netwerk kunnen dat familieleden en/of vrienden zijn. Dit zijn belangrijke betrokkenen, die een groot verschil kunnen maken in de effectiviteit van de zorgcoördinatie.
    • Breng het netwerk in kaart met hulpmiddelen als genogram, ecogram of bolletjesschema.
    • Vraag door! Neem geen genoegen met alleen opa’s en oma’s, welke mensen zijn er nog meer? Denk aan: vrienden, buren, ouders van vriendjes/vriendinnetjes van de jeugdigen, vroegere buren of vrienden, familieleden, mensen van de kerk, sportclub, collega’s en leerkrachten.
    • Behulpzame vraag: Wie vinden het belangrijk dat het goed gaat met jou/jullie (kind(eren)?
    • Inventariseer welk type steun deze mensen bieden: praktisch, emotioneel, financieel? De bijdrage kan ook bestaan uit denkkracht en getoonde betrokkenheid.
    • Krijg helder welke steun mensen in het netwerk kunnen/willen bieden om de situatie in het gezin te verbeteren.
    • Wees vasthoudend en zet door, ook als het netwerk niet meteen toehapt op de uitnodiging of eigenlijk niet meteen iets praktisch wil doen, denkkracht is ook van belang.
    • Wanneer de klant(en) weinig of geen netwerk kunnen benoemen, kan ook het versterken van het sociaal netwerk een doel zijn. De interventie Sociale Netwerk Versterking (SNV) kan daarbij behulpzaam zijn.
    • Tijdens het traject wordt vraaggericht gewerkt. Dat betekent dat de klant(en) zelf een voorkeur kan uitspreken voor een zorgcoördinator. Wanneer de klant(en) een voorkeur heeft uitgesproken, wordt besproken of dit mogelijk is. Indien dit niet mogelijk is, wordt gezamenlijk door betrokkenen een zorgcoördinator vastgesteld. Als er een maatwerkvoorziening nodig lijkt wordt het Sociaal Team (Jeugd) gevraagd aan te sluiten. Bij stagnatie wordt opgeschaald (zie hoofdstuk Opschaling).
    • Verwijsindex risicojongeren is een hulpmiddel bij de zorgcoördinatie: het brengt betrokken zorgverleners in contact zodat afstemming kan plaatsvinden. Indien de organisatie aangesloten is bij de Verwijsindex risicojongeren, wordt bij de start van 1Gezin1Plan, waar jeugdigen bij betrokken zijn, gesignaleerd in de Verwijsindex risicojongeren. 
    • In de acties wordt een onderscheid gemaakt in betrokkenen die zeker aanwezig moeten zijn en andere betrokkenen. Zo zorg je ervoor dat de betrokkenen die er zeker bij moeten zijn ook aanwezig zullen zijn.
    • Voor het startoverleg kun je eventueel gebruik maken van een digitale planner, zoals datumprikker. Dit is eenmalig, omdat aan het eind van elk overleg direct een nieuwe datum wordt gepland voor het volgende overleg.