• Voorbeelden van (on)veiligheid op items minderjarigen

     

    Voldoende

    Onvoldoende

    Inzicht:

    • De ouder begrijpt de ontwikkelbehoefte(n) van het kind;
    • De ouder begrijpt wat past bij de leeftijd en het ontwikkelingsniveau van het kind;
    • De ouder begrijpt de krachten en zorgen;
    • De ouder begrijpt de bodemeisen;
    • De ouder begrijpt waarom deze bodemeisen wordt gesteld;
    • De ouder begrijpt de doelen;
    • De ouder begrijpt de acties.
    •  De ouder begrijpt de ontwikkelbehoefte(n) niet van het kind;
    • De ouder begrijpt niet wat past bij de leeftijd en het ontwikkelingsniveau van het kind;
    • De ouder begrijpt de krachten en/of zorgen niet;
    • De ouder begrijpt de bodemeisen niet;
    • De ouder begrijpt niet waarom deze bodemeisen wordt gesteld;
    • De ouder begrijpt de doelen niet;
    • De ouder begrijpt de acties niet.

    Motivatie:

    • De ouder is bereid om de situatie voor het kind in positieve zin en permanent te veranderen.
    • De ouder is niet bereid om de situatie voor het kind in positieve zin en permanent te veranderen. 

    Leerbaarheid:

    • De ouder is in staat om de situatie voor het kind in positieve zin en permanent te veranderen.
    • De ouder is niet in staat om de situatie voor het kind in positieve zin en permanent te veranderen.

    Netwerk

    • Er is een steunend sociaal netwerk beschikbaar voor de ouder en het kind;
    • De ouder ervaart voldoende steun;
    • Het kind ervaart voldoende steun.
    • Er is geen steunend sociaal netwerk beschikbaar voor de ouder en het kind;
    • De ouder ervaart onvoldoende tot geen steun;
    • Het kind ervaart onvoldoende tot geen steun.

    Veiligheid:

    • Het kind voelt zich veilig;
    • Het kind wordt niet gekleineerd of uitgescholden;
    • Het kind wordt niet geslagen, geschopt, geknepen of anderszins geweld aan gedaan;
    • Het kind wordt gerespecteerd in zijn/haar persoonlijke ruimte;
    • Er is een vaste volwassene die toezicht houdt op het kind.
    • Het kind voelt zich niet veilig;
    • Het kind wordt gekleineerd, uitgescholden of anderszins psychisch mishandeld;
    • Het kind wordt geslagen, geschopt, geknepen of anderszins lichamelijk mishandeld;
    • Het kind wordt betast, aangerand of anderszins seksueel misbruikt;
    • Het kind is getuige van seks of seksueel geweld tussen ouders of andere volwassenen;
    • Het kind is getuige van lichamelijk en/of psychisch geweld tussen ouders;
    • Er is geen vaste volwassene die toezicht houdt op het kind;
    • Er is geen vaste volwassene aanwezig die het kind tegen onveilige situaties beschermt.

    Aandacht:

    • De ouder is geïnteresseerd in het kind;
    • De ouder vraag het kind regelmatig hoe het gaat;
    • De ouder heeft contact met het kind door hem/haar te knuffelen/ stoeien/ grapjes te maken en/of te praten;
    • Er is regelmaat en stabiliteit in de dagelijkse verzorging en opvoeding van het kind.
    • De ouder is niet geïnteresseerd in het kind;
    • De ouder vraagt het kind niet regelmatig hoe het gaat;
    • De ouder heeft geen contact met het kind door hem/haar te knuffelen/ stoeien/ grapjes te maken en/of te praten;
    • Er is geen regelmaat en stabiliteit in de dagelijkse verzorging en opvoeding van het kind.

    Emotionele warmte:

    • De ouder raakt het kind liefdevol aan;
    • De ouder knuffelt het kind;
    • De ouder troost het kind als het verdrietig is;
    • De ouder geeft aan van het kind te houden;
    • De ouder vindt het fijn om ouder van het kind te zijn;
    • Er is een vaste volwassene die emotioneel beschikbaar is voor het kind;
    • Het kind voelt zich veilig en geborgen.
    •  De ouder raakt het kind niet aan of alleen voor de nodige lichamelijke verzorging (bij jonge kinderen);
    • De ouder knuffelt het kind niet;
    • De ouder troost het kind niet als het verdrietig is;
    • De ouder geeft aan niet van het kind te houden;
    • De ouder zou liever geen ouder zijn;
    • Er is geen vaste volwassene die emotioneel beschikbaar is voor het kind;
    • Het kind voelt zich onveilig en/of niet geborgen.

    Voeding:

    • Het kind krijgt voldoende eten;
    • Het kind krijgt voldoende gezonde voeding;
    • Het kind krijgt voldoende drinken.
    • Het kind krijgt te weinig of geen eten;
    • Het kind krijgt te weinig of geen gezonde voeding;
    • Het kind krijgt onvoldoende drinken.

    Kleding:

    • Het kind heeft voldoende kleding;
    • Het kind heeft kleding aan die past bij het seizoen;
    • Het kind heeft kleding in de juiste maat, niet veel te groot en niet te klein;
    • Het kind heeft kleding aan die niet ruikt.
    • Het kind heeft onvoldoende kleding;
    • Het kind heeft te dunne kleding aan en heeft het vaak koud en/of is vaak doorweekt van de regen;
    • Het kind heeft veel te grote of te kleine kleding;
    • Het kind heeft kleding aan die ruikt. 

    Verwarming:

    • Het huis is verwarmd;
    • Het kind heeft het warm genoeg.
    •  Het huis is onverwarmd;
    • Het kind heeft vaak het koud.

    Leer-momenten:

    • De ouder leert het kind manieren die hij/zij belangrijk vindt;
    • De ouder leert het kind hoe hij/zij zich kan gedragen;
    • De ouder leert het kind omgaan met anderen;
    • De ouder leert het kind belangrijke waarden en normen;
    • De ouder stelt realistische eisen aan het kind;
    • De ouder hanteert duidelijke en op het kind afgestemde regels en grenzen;
    • Het kind gaat naar school.
    • De ouder leert het kind geen manieren of sociaal ongewenste manieren aan;
    • De ouder leert het kind niet hoe hij/zij zich kan gedragen;
    • De ouder leert het kind niet om te gaan met anderen of maakt het kind bang voor anderen;
    • De ouder leert het kind dingen die verboden of strafbaar zijn;
    • De ouder stelt onrealistische eisen aan het kind;
    • De ouder hanteert geen duidelijke en op het kind afgestemde regels en grenzen;
    • Het kind gaat onregelmatig of niet naar school.

    Hygiëne:

    • De ouder houdt het kind schoon door het te wassen en/of te douchen;
    • Anderen vinden het kind fris ruiken;
    • Het kind heeft schone kleren aan zonder vlekken en gaten;
    • Het kind heeft geen hoofdluis.
    • Het kind wordt niet gedoucht of gewassen;
    • Anderen vinden het kind onfris ruiken;
    • Het kind heeft kleren die onfris ruiken en/of vlekken en/of gaten hebben;
    • Het kind heeft chronische hoofdluis.

    Medische zorg:

     

    • De ouder poetst tweemaal per dag de tanden van het kind;
    • Het kind poetst zijn tanden tweemaal per dag;
    • De ouder gaat tweemaal per jaar naar de tandarts met het kind;
    • Als het kind ziek of gewond is, verzorgt de ouder hem/haar;
    • Als het kind ziek of gewond is, gaat de ouder naar de huisarts of het ziekenhuis als dat nodig is;
    • Als het kind medicijnen nodig heeft, zorgt de ouder ervoor dat hij/zij deze inneemt;
    • De ouder volgt de adviezen van artsen op;
    • De ouder ‘doktert’ niet onnodig met het kind en/of geeft het kind niet onnodig medicatie.
    • De ouder poetst de tanden van het kind minder dan tweemaal per dag, onregelmatig of nooit;
    • Het kind poetst de tanden minder dan tweemaal per dag, onregelmatig of nooit;
    • De ouder gaat niet of onregelmatig naar de tandarts met het kind;
    • Als het kind ziek of gewond is, verzorgt de ouder hem/haar te weinig, onregelmatig of niet;
    • Als het kind ziek of gewond is, gaat de ouder niet of te laat naar de huisarts of het ziekenhuis als dat nodig is;
    • Als het kind medicijnen nodig heeft, zorgt de ouder er onregelmatig of niet voor dat hij/zij deze inneemt;
    • De ouder volgt de adviezen van artsen onregelmatig of niet op;
    • De ouder ‘doktert’ onnodig met het kind en/of geeft het kind onnodig medicatie;
    • De ouder zorgt ervoor dat het kind gezondheidsklachten krijgt of ziek wordt. 

    Sociaal contact:

    • De ouder stimuleert het kind in het contact met anderen;
    • Het kind heeft vrienden;
    • De ouder vindt het fijn als het kind vrienden heeft;
    • Het kind heeft een goede band met andere gezinsleden;
    • De ouder stimuleert het kind in het contact met belangrijke anderen.
    • De ouder houdt het kind bij anderen vandaan;
    • Het kind heeft geen vrienden en de ouder vindt het niet fijn als het kind vrienden maakt;
    • Het kind heeft geen goede band met andere gezinsleden;
    • De ouder zorgt ervoor dat het kind geen contact heeft met belangrijke anderen.